Spoonbill nest success in Dutch nature reserve


This video is called SPOONBILL & BLUE [Grey] HERONS – Platalea leucorodia & Ardea cinerea.

Translated from Natuurmonumenten in the Netherlands:

August 30, 2010

The spoonbill has definitively established itself in the Nieuwkoop Lakes. Last year there were three breeding pairs after an absence of 30 years. This year at least 28 nests have been counted.

Closeness to Groene Jonker works well

The spoonbill has been away for a long time. After 1978, no more spoonbills nested in the Nieuwkoop Lakes. The three breeding pairs in 2009 were therefore a big surprise. Warden Van Schie: “We hoped last year that they would settle here. It’s great to see that this year some 28 nests were made.”

Fidelity to breeding ground

Everything indicates that the white birds found a new permanent breeding area in the Nieuwkoop Lakes. Spoonbills are faithful to their breeding ground. The juveniles usually go back to where they were born to make their own nests. Also the Groene Jonker area is still attractive for food; and for the past two years, the colony has not been disturbed.

The spoonbill – which has bred only four times in Britain in the last three centuries – has had a stunning success at Holkham, and for the first time in over 300 years the UK has its own breeding colony of these beautiful crane-like birds: here.

Wildlife Extra: Spoonbills targeted by hunters in Malta: here.

Migrating Dutch spoonbill on ship: here.

African spoonbill: here.

About these ads

7 thoughts on “Spoonbill nest success in Dutch nature reserve

  1. Administrator on September 22, 2010 at 5:25 pm said:

    Lepelaar Platalea leucorodia1 Linnaeus 1758. Deze Ibisachtige is in N goed bekend. Het is een grote witte vogel met een eigenaardige snavel. Wegens de verbreding aan het eind van die snavel zal men aan een pollepel gedacht hebben, een platte houten spatel (vgl. F Spatule blanche, maar de “spatule” zelf (de snavel dus) van de Lepelaar is zwart) of lepel dus met een breed gedeelte. Zo’n lepel bevat geen holte waarmee voedsel opgeschept kan worden. Het ww. lepelen ligt dan ook niet aan de naam van de vogel (1287) ten grondslag, te meer daar dit pas 1657 is geattesteerd, bij Six van Chandelier2 [WNT]. De herkomst van de uitgang ‑aar Ý is dan ook niet geheel duidelijk; het correspondeert ws. niet met dezelfde uitgang in de betekenis van ‘Arend’ Ý en nomina-agentis-suffix is het dus ook niet.

    Ws. is de vorming van Lepelaer vooral beïnvloed door de naam van een soortgelijke vogel, de Ooievaar, waardoor eindrijm ontstond.

    Benoemingsgeschiedenis: Ht 1763 noemt voor de soort de ‘officiële’ N naam: Witte Europische [Lepelaar]. Hij voegt hieraan toe: “..de gewoone naam is Lepelaar, Lepel-Gans, Scufler, Schofler of Schoffelaar.” B&O 1822 noemen hem: “De witte of Europische Lepelaar.”

    N Lepelaar < Lepelaer [Van Heenvliet3 c.1636] < vnN Lepeler, Lepelgans [Kil.] < mnl Lepelaer (1287 bij Jacob van Maerlant); fries Leppelbek Ý, ook Leppelgâns, Leppelgoes; Lepler is mogelijk door Gesner 1555 niet geheel foutloos weergegeven; mnd Lepeler; D Löffler, ook Löffelreiher (letterlijk: 'lepelreiger'), Löffelgans (verouderd). Ook in andere talen is de vogel genoemd naar zijn merkwaardige snavel: E Spoonbill, volksnamen Banjo-bill (Norfolk), Shovelard, Shoveler (Kent, Sussex) [als de officiële E naam voor de Slobeend, die op zijn beurt met een E volksnaam weer Spoonbill heet]; zweeds Skedstork (sked 'lepel'; stork 'Ooievaar'), noors Skjestork, deens Skestork < Hvid Skeeheire [Kjaerbølling 1854-65] (zie Lepelreiger Ý), ijsl Flatnefur (ijsl flat (= E flat) 'plat, vlak'; ijsl nefur 'neb, snavel'); F Spatule blanche; It Spatola; Sp Espátula; catalaans Bec-planer; pools Warz_cha (warz_cha 'pollepel'); lets Platknabja Ibiss ('platsnavelige Ibis').

    Jacob van Maerlant voegt (ws. op eigen gezag) de volgende regels aan de verzen over de Reiger (onder de A van Ardea) toe:

    vs.310 Men vint oec, dat es ons cont,

    In onsen lande in meneghen maers

    Voghele die heten lepelaers,

    Die hare lijfner soeken mee4

    Daer et smout5 smaect van der zee,

    Die langhe becke hebben ende breet,

    Daer mense lepelaers om heet;

    Ende dats van reyghers ene maniere,

    Die sijn den visschen onghehiere.6

    Haer vleesch es argher7 dan der sciere. [sciere = Grauwe Reiger, oftewel de Blauwe Reiger]

    Smout van den reyghers es specie diere8

    Alsmen seghet9, jeghent vledersijn,

    Daert anders nieuwe es ende fijn.

    Etyologie N lepel < mnl lēpel (Bern. 1240 [VT]), leppel; fries leppel; D Löffel < ohd leffil (met oberduits ö voor e zoals ook in schöpfen < mhd schepfen); E lap 'met de tong oplikken' < oe lapian; germ *lap-; buiten het germ Lat lambo '(be)likken'. Reco *lab- (met a) kan in deze vorm naar de moderne opvatting geen pie zijn. N lip en Lat labium zijn ws. verwant maar ws. op substraat-, niet op pie-basis; de woorden zitten in het betekenisveld lichaamsdelen, o.h.a. een substraat-aangelegenheid.

    Etymologie N spaan: dit is E spoon 'lepel' < oe spon met a/aa/oo substraatablaut; vgl. N spaan, spa(de), spatel en Gr spáthè 'breed plat stuk hout' waarbij pie **spe1C/**spo1C/**sp1C niet past [Beekes142] (inz. de nultrap).

    ______

    1 De wetenschappelijke soortnaam is Gr en betekent: 'witte Reiger' (Gr rhôdiós, erôdiós 'Reiger'). Zie Lepelreiger Ý. Indien Gr rhôdiós, erôdiós verwant met servokroatisch Roda 'Ooievaar' en Lat Ardea 'Reiger' [Muller 1933; M&R 1961], dan toch op non-pie basis [Beekes 137,139,142]; zweeds Årta '(Zomer)Taling' hierbij betrekken [Muller 1933] is noch pie-formeel (maar wie weet wel op oud europees-substraat-basis), noch semantisch een succes (of een gemeenschappelijke betekenis 'jachtwild' ?).

    2 Waarom staat het hem niet vry

    Te leeplen, uit den rysenbry (1657 [WNT])

    3 Lepelaer. Is een specie van Quacken hebbende lange en platte becken in forme van een lepel daer sij den naem af voeren. Voeden, broeden ende houden haer hier inde lage landen, als de Quacken doen, ende vele in 't Sevenhuijsense bosch. Alwaer sij tot drije-mael toe in 't jaer eerse op de wieck zijn, uijtte boomen geschut werden [=worden], diemen dan uijttet water met schuijten daartoe gereet vischt, nevens de jonge Reijgers, Quacken, Scholvers, en sommige diese d' ogen toenaijen en nae Engelandt voeren

    Men schut voor d' eerste mael,

    Voor de tweede reijs

    en voor de laetste. (p.56-57)

    4 Die hun voedsel ook wel zoeken

    5 variant: sout, dus: aan de kust

    6 Ze zijn een schrik voor de vissen.

    7 slechter

    8 Reigervet is een kostbaar nieuw medicijn,

    te gebruiken bij jicht,

    9 schijnt het. @

    Lepelreiger Naam voor de Lepelaar Ý in vD 1898-1984, WNT 1956. Waar komt die naam voor en vandaan??

    D Löffelreiher in Muret-Sanders 1910, maar niet in Suolahti 1909 en ook niet in Wüst 1970. De D naam ook niet in HG 1669 (wel: Löffelganß). De Duitsers kennen de Lepelaar natuurlijk ook nauwelijks van eigen bodem. Deens Skestork (letterlijk: lepel-ooievaar), maar in Kjaerbølling 1854-1856 Hvid Skeeheire (letterlijk: witte lepel (ske(e)) reiger) (status: "zeldzaam") en in 1929 nog artikel in DOFT van Holstein V: Skehejren som ynglende i Danmark [HVM 1966 p.441]. 100921 @

    Baumann H, (1900) 1910. Muret-Sanders Enzyklopädisches englisch-deutsches und deutsch-englisches Wörterbuch, Teil II. Berlin-Schöneberg. @

    Beekes R S P, 1995. Comparative Indo-European linguistics : an introduction. Amsterdam/Philadelphia. @

    B&O Bennet & Olivier 1822. (zie literatuurlijst)

    Heenvliet C J van, c.1636. Jacht-Bedryff. Uitgave Swaen A E H, 1948.

    http://books.google.nl/books?id=f8oUAAAAIAAJ&printsec=frontcover&dq=Jacht-Bedryff&source=bl&ots=A-gAVt-zh2&sig=neZZ5qHC_6U-n94LgF70yvKyoaA&hl=nl&ei=gZ2UTKyeI8WAOLjnsIgJ&sa=X&oi=book_result&ct=result&resnum=3&ved=0CCUQ6AEwAg#v=onepage&q&f=false

    bij niet werken van de url, op google intypen: Jacht-Bedryff

    Horst G, 1669. Gesneri Redivivi, aucti & emendati Oder Vollkommenes Vogelbuch. Nadruk 1981. Schlütersche Verlagsanstalt. Hannover. (2 delen in een band) [HG]

    Ht Houttuyn M, 1762 & 1763. Natuurlyke Historie of uitvoerige Beschryving der Dieren, Planten en Mineraalen, Volgens het Samenstel van den Heer Linnaeus. Met naauwkeurige Afbeeldingen. Eerste Deels, Vierde resp. Vyfde Stuk. De Vogelen. F. Houttuyn, Amsterdam. @

    HVM Handbuch der Vögel Mitteleuropas. +jaar +pagina

    Kjærbølling N, 1854. Ornithologia Danica. Danmarks Fugle i 252 Afbildningar. Aanvulling 1856.

    Maerlant Jacob van, (c.1266) 1287. Der Natueren Bloeme. Uitg. Verwijs E, 1878 (nadruk 1980). {hierin boek III. Hoofdtekst van het Leidsch handschrift. (B = Brussels handschrift)} [JvM]

    Muller F, (1926) 1933. Grieksch Woordenboek3. Wolters, Groningen. @

    Muller F & Renkema E H, 1963. Beknopt Latijn Nederlands Woordenboek10 (bew. door K van der Heyde). J.B. Wolters. Groningen. [M&R]

    Suolahti H, (1909) 2000r. Die deutschen Vogelnamen. (Stuttgart) Berlin.

    Vries J de & F. de Tollenaere, 2000, 2004. Etymologisch Woordenboek.21,23 Het Spectrum, Utrecht. [VT] @

    Wüst W, 1970. Die Brutvögel Mitteleuropas. Bayerischer Schulbuch-Verlag. München.

    K.J. Eigenhuis

  2. Pingback: Smew and spoonbill | Dear Kitty. Some blog

  3. Pingback: Dutch bird nest webcams | Dear Kitty. Some blog

  4. Pingback: Maltese bird-killers in Egypt | Dear Kitty. Some blog

  5. Pingback: New Dutch spoonbill colony | Dear Kitty. Some blog

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s